Eind vorig jaar bleek de spanning tussen kunst en politiek steeds hoger op te lopen en na de verkiezingsuitslag van afgelopen juni zijn bezuinigingen bij kunst- en cultuurinstellingen onvermijdelijk. Hoe liggen de verhoudingen in het culturele landschap er bij en hoe verhouden deze zich tot het politieke spectrum?
Dat er een gespannen verhouding is tussen kunst en politiek is al langer bekend: de kunst vertrouwt de politiek niet en in de politiek wordt er getwijfeld aan de positie die door de kunstwereld wordt geclaimd. Politici dienen overal verstand van te hebben, behalve van kunst en cultuur. Het algemene beeld is dat wanneer politici te maken krijgen met kunst en cultuur, ze er meteen een potje van maken. Daarnaast wil de burger weten waarom er zo veel geld gaat naar voorzieningen waarvan vooral een hoog opgeleide en vaak ook kapitaalkrachtige elite profiteert.
In het politieke landschap wordt er bij elke regeerperiode andere culturele prioriteiten gelegd. Door deze verschuivingen van aandachtsgebieden ontstaat er een grilligheid waardoor het voor de kunstwereld steeds moeilijker wordt om consistent beleid te voeren. In het huidige politieke landschap heeft de PVV weinig op met kunst en cultuur, waardoor bezuinigingen van wel 20 procent dreigen.
In de kunstwereld heerst de algemene gedachte dat als de politiek zich met kunst gaat bemoeien de artistieke vrijheid in het geding komt. Volgens het principe van Thorbecke subsidieert de overheid en laat het inhoudelijk oordeel over aan de kunstwereld. Subsidieregelingen echter worden in de kunstwereld als een vanzelfsprekend recht beschouwd, omdat kunst een onmisbaar onderdeel is van de maatschappij. De fondsen binnen de kunstwereld willen niet alleen meer als doorgeefluik functioneren, maar ook zelf politiek bedrijven.
De kunstwereld bepaalt zelf de kwaliteitsnormen waarop de subsidieaanvragen worden beoordeeld. Daarnaast is er volgens velen sprake van vriendjespolitiek. Een van de veel gehoorde bezwaren tegen het subsidiestelsel is dat het systeem niet objectief genoeg is. Als er wordt gekeken naar andere manieren van meten, zoals bijvoorbeeld (bezoekers)cijfers, dan komen andere aspecten van de kunsten weer in het geding, zoals de creativiteit, talent, experiment en oorspronkelijkheid. Wat dan over blijft is de gemiddelde smaak van de gemiddelde bezoeker.
Welke positie ten opzichte van de kunstwereld zou voor de politiek gepast zijn? De politiek zou keuzes kunnen maken, niet op basis van kwaliteit en ook zeker niet gericht op het artistieke proces, maar wel wat betreft het behoud en de ontwikkelingen binnen kunst en cultuur. De overheid dient daarbij een eerder de rol als opdrachtgever aan te nemen, die er voor zorgt dat de kunstenaar geprikkeld wordt en op deze manier hun kunst tot grotere hoogtes brengt.
De kunstwereld daarentegen moet er voor zorgen dat zij niet meer afhankelijk is van de overheid. Dit zou kunnen betekenen dat er meer gebruik wordt gemaakt van het zogenoemde ‘Amerikaanse model’, waarbij bedrijfssponsoring, verzamelaars/mecenassen en het vergeven van beurzen door particuliere stichtingen een belangrijkere plaats in gaan nemen. Overigens is het al gebleken in de kunstwereld carrière te maken zonder de ondersteuning van de overheid.
Anders gezegd zou de kunstwereld uit zijn eigen schulp moeten kruipen en meer kijken wat de samenleving mooi vindt. De vraag van de samenleving verandert steeds en daarbij komt dat makers van kunst zich lang niet altijd realiseren dat ze in een wereld leven waarin niet vanzelfsprekend plek is voor iedereen. De overheid dient daarbij voorwaarden te scheppen , zodat de kunst kan gedijen. Naast kwaliteit dient er ook gekeken te worden naar ondernemerschap en culturele diversiteit.
De taak van de overheid is om te formuleren wat de ware opdracht is op het gebied van kunst en cultuur en welke rol kunstenaars dienen in te nemen ten opzichte van het publiek. De kunstwereld dient hierover verantwoording af te leggen en dient transparant te zijn over hoe de subsidies worden gebruikt. Daarbij dient de kunstwereld te zoeken naar het draagvlak en geen posities claimen, maar waarmaken.
De druk om bezoekers te trekken zal niet toenemen wanneer een kunstinstelling toch wel subsidie krijgt. Het blijft belangrijk om de interesse van het publiek te trekken, zeker wanneer de inkomsten van kunstinstellingen door de bezuinigingen minder worden. De kunstwereld zou net als het bedrijfsleven mogelijkheden moeten zien en proberen iets weten te maken van een crisis door te vernieuwen.
Zie ook het NRC Next column van Christiaan Weijts ‘Nieuw mecenaat’.