Conservering van kunst

1 augustus 2010

Al decennia lang houden musea zich bezig met het conserveren van moderne kunst. Met de komst van nieuwe vormen van kunst (installaties, video’s) is het vak van conserveren veranderd. Moeten musea alles op alles zetten om deze kunstwerken in stand te houden? Of is het misschien tijd voor een nieuw begrip van conservering?
Aan het einde van de 20ste eeuw is er bij musea en sectorinstituten (onder andere Instituut Collectie Nederland, het ICN) het besef ontstaan dat er op een nieuwe manier met conservering van moderne kunst dient te worden omgegaan. In 1999 is er door de Stichting Behoud Moderne Kunst en het ICN een model opgesteld voor de besluitvorming bij de conservering en restauratie van moderne kunst.
Bij traditionele kunst is er een eenduidige relatie tussen het materiaalgebruik en de betekenis van het kunstwerk. Materialen en technieken leveren een bijdrage aan de betekenis van een kunstwerk, welke specifiek voor een bepaalde kunstenaar kunnen gelden of voor een bepaald kunstwerk. Een verandering in de materiële eigenschappen van een kunstwerk zijn dan van invloed op de betekenis.
Er zijn twee vragen die beantwoord dienen te worden: Is er sprake van een problematische discrepantie tussen de fysieke conditie van het kunstwerk en zijn betekenis? Anders gezegd: Draagt het werk nog de handtekening van de kunstenaar? Mocht er sprake zijn van discrepantie dan speelt de volgende vraag een rol: Wat is het belang van materiële eigenschappen voor de betekenis? Met andere woorden: Wat zijn de consequenties voor de betekenis van het kunstwerk?
Een van de aspecten van conservering is de conceptualiteit van een kunstwerk. Er moet daarbij gekeken worden of het kunstwerk niet in zijn betekenis aangetast wordt. Hierbij spelen aspecten van estheticiteit, authenticiteit, historiciteit en functionaliteit een rol. Daarnaast behoeven de verschillende soorten materialen die in een kunstwerk gebruikt zijn ook verschillende conserveringsmethoden. Het gebruik van plastic bijvoorbeeld brengt verschillende verouderingseigenschappen met zich mee.
Bij conservering speelt ook het perspectief van verschillende belanghebbenden een rol: kunstenaar, kunstcritici/kunsthistorici, conservator en de restaurator kijken allemaal op een andere manier naar een kunstwerk. Voor de conservator is het tentoonstellen het belangrijkste, wat kan betekenen dat er een kopie in het museum wordt tentoongesteld. Vanuit zijn perspectief verliest het kunstwerk anders zijn publieke waarde. Voor de restaurator is de conditie van het object weer belangrijk. In theorie zouden alle partijen, eventueel in samenspraak met een natuurwetenschapper tot consensus moeten komen wat het beste is voor het kunstwerk.
Deze partijen zouden tot een nieuw begrip van conservering moeten komen die recht doen aan de veranderlijkheid van installaties èn die recht doen aan de participerende en interveniërende rol van conservatoren en restauratoren. De conserveringsactiviteiten en hetgeen tentoongesteld wordt kan niet meer eenduidig van elkaar worden gescheiden. Daarbij moeten zowel musea als kunsthistorische verhandelingen meer aandacht besteden aan de veranderingen van een kunstwerk.
Nu wordt alles dat in Nederlandse depots bewaard wordt behouden. Ook de conditie van werk dat een geringe prioriteit heeft in de collectie wordt gestabiliseerd. Maar kunst afschrijven is tegennatuurlijk voor een museum. De kansen van het hedendaagse kunstmuseum liggen dan ook in het los komen van de veelgehoorde kritiek op het instituut als mausoleum of rustplaats van dode objecten. Musea kunnen zich beter profileren als een levendige plek waar kunst zich doorontwikkelt.

 

6 Reacties op “Conservering van kunst”

  1. Beste Judith
    Ik heb met veel genoegen je bijdrage gelezen over de conservering van moderne kunst. De laatste zin is als oproep een fraaie afsluiting van je artikel, maar ik geloof dat een aantal musea voor moderne kunst zich al in hoog tempo ontwikkelt tot levendige plekken waar kunst zich doorontwikkelt. Die ontwikkeling vindt echter nog vooral plaats aan de publiekszijde van het museum. Achter de schermen en in de depots gaan de ontwikkelingen minder snel; maar dat geeft niet. Musea moeten ook niet al te doldriest met alle winden meewaaien waar het gaat om collectiebeheer en conservering. Kijkend naar de internationale context denk ik dat we in Nederland – met de betrekkelijk autonome postitie die musea hier hebben – best een stap verder gaan dan in de meeste andere landen (in ieder geval binnen Europa) Dank nogmaals voor ons je bijdrage en ik nodig je graag uit om het ICN te blijven volgen op Collectiewijzer.nl

  2. Judith Faber zegt:

    Beste Frank,

    Bedankt voor deze aanvulling.

    Het is in ieder geval goed dat de discussie gevoerd wordt en dat musea nadenken over conservering. Als regelmatige bezoeker van musea is het van belang dat het aanbod blijft prikkelen en het maakt nog nieuwsgieriger naar wat er allemaal nog in de Nederlandse depots ligt opgeslagen.

  3. Beste Judith,

    Het zal je vast niet ontgaan zijn dat musea vooral inzetten op het digitaal toegankelijk maken van de depotcollecties. Ik ervaar althans een groeiende aandacht voor digitaliseringsprojecten. Conservering lijkt daardoor weer wat meer op de achtergrond te geraken.

  4. Judith Faber zegt:

    Beste Frank,

    Het punt wat je hiermee aanstipt komt terug in een ander artikel van mij op deze website.

    Internet speelt een steeds grotere rol bij het ontsluiten van collecties, maar de bezoeker zal toch nog naar het museum moeten voor de ervaring van kunst. Mijns inziens kunnen musea hun publiek prikkelen met behulp van deze digitaliseringsprojecten en zo toch genoeg bezoekers blijven trekken om een deel van de collectie ook in het echt te laten zien.

  5. Bovenstaand artikel is integraal overgenomen door de website Collectiewijzer.nl

Geef een reactie