De erezaal in het Stedelijk museum in Amsterdam gaat de ICM-zaal heten en is een goed voorbeeld van de commercialisering van de kunsten. Laten we het commercialiseringprobleem eens nader te bekijken. Waar gaat het nu allemaal om?
Het International Marketeers Combination (ICM) doneert een eenmalige bijdrage aan het museum en in ruil daarvoor zal het Stedelijk 10 jaar lang de erezaal naar het bedrijf vernoemen. Momenteel kan het Stedelijk deze financiële injectie wel gebruiken.
Het probleem is echter dat er, zeker in Nederland, het idee heerst dat de kunsten niet te rijmen zijn met commercie. De kunsten hebben een symbolische betekenis, die niet samen gaan met economisch denken en handelen. Er zit eerder gevoelswaarde aan de kunsten dan een prijs. In de Verenigde Staten, zoals het Museum of Modern Art in New York, zijn veel zalen in musea vernoemd naar bedrijven als ICM.
Voorbeelden van kunstenaars die al eerder een brug hebben proberen te slaan tussen commercie en de kunsten zijn Andy Warhol, Damien Hirst en Joep van Lieshout. Deze kunstenaars zorgen er echter wel voor dat de kunstzinnige waarden van kunst blijven bestaan. Zij stellen het spanningsveld tussen kunst en commercie aan de kaart en Andy Warhol stelt daarbij ter discussie dat ‘kunst veel geld kost’. De kunstenaars proberen twee waardesystemen met elkaar te integreren die in eerste instantie niet lijken te rijmen.
De waarden van de markt (commercie) komen niet overeenkomen met de waarden in de kunstsector. Het economisch denken is gebaseerd op rationeel denken en de kunsten komen tot stand in een informele sector die niet te rijmen is met het economisch denken.
Welke gevolgen heeft de sponsoring door het iCM aan het Stedelijk voor de relatie van het Stedelijk met de overheid? Vast staat dat de overheid steeds meer op een marktachtige manier te werk gaat. Zij gaan ook letten op hoeveel bezoekers een kunstinstelling per jaar trekken. De overheid gaat op basis van het aantal bezoekers subsidies verstrekken.
Het Stedelijk museum is nog in gesprek met de gemeente Amsterdam over subsidies, in verband met het huisvestingstekort voor de nieuwbouw van het museum. De gemeente Amsterdam zal moeten overwegen wat het nieuwe museum voor meerwaarde heeft voor de stad. De subsidiëring door de BankGiro Loterij is stopgezet en het museum is ook geen partner meer met ABN Amro. Het Stedelijk museum heeft al enige tijd geen inkomsten uit het museum en kost alleen maar geld. Momenteel is het voor het Stedelijk als non-profit organisatie überhaupt niet mogelijk om winst te maken.
Het heikele punt in deze discussie is dat men denkt dat het Stedelijk museum hun doel uit het oog verliest en dat de artistieke kwaliteit verandert. Men verwacht daardoor dat het Stedelijk een ander publiek gaat trekken. Door sponsoring zou het aantal giften en donaties kunnen afnemen, omdat mensen een ander beeld krijgen van het museum en het vertrouwen verliezen in de kunstinstelling.
Men is bang dat door sponsoring de creativiteit van de kunstinstelling afneemt. Maar er zijn ook mensen die van mening zijn dat de creativiteit bevorderd wordt. Zowel de overheid als de sponsoren moeten inspelen op de creativiteit van de instelling. En beide spelers zijn gebaad bij een zo groot mogelijk publiek. Hoe meer bezoekers, des te minder er gesubsidieerd of gesponsord hoeft te worden.
Daarnaast is en bang dat door sponsoring de kwaliteit van de tentoonstellingen achteruit gaan, omdat er een financiële overeenkomst is aangegaan met een marktpartij. Er wordt door de sponsor verwacht dat het Stedelijk tentoonstellingen zal maken die zo veel mogelijk publiek zal trekken en die toegankelijk moet zijn voor een brede doelgroep. Dit zou een reden kunnen zijn dat andere donateurs of vrienden van het museum zich niet meer herkennen in het tentoonstellingsbeleid van het Stedelijk.
Kunst kan gezien worden als een publiek goed en het is dus de zorg van de overheid en niet van de vrije markt. Daar komen elementen als sponsoring en marketing om de hoek kijken en die kunnen een belangrijke invloed hebben, zoals een nieuwe koers van andere musea. Er kan geconcludeerd dat de Nederlandse kunstsector nog terughoudend is met betrekking tot sponsoring en dat er nog veel stappen gezet kunnen worden op dit gebied.
Gebruikte literatuur:
Klamer&Zuidhof, The role of the third sphere in the world of the arts
Heilbrun&Gray, The economics of art and culture
Bron:
Volkskrantartikel