In het cultureel economisch perspectief is de economie ingebed in een grotere context, de cultuur. Het economisch proces en economische transacties vinden plaats in deze cultuur. Deze context is van belang om te begrijpen wat er gebeurd in de kunstsector. Er vallen daarbij verschillende waarden te onderscheiden, namelijk persoonlijke waarden en culturele waarden. Deze waarden hebben verschillende betekenissen in de verschillende sectoren als de markt en de overheid. Laten we deze waarden eerst eens wat nader bekijken.
Er zijn drie manieren van economisch handelen. Allereerst zijn er de sfeer van de markt en van de overheid. Kunst wordt veelal verhandeld in de derde sfeer. Dit geheel van drie sferen zou in zijn geheel ook ingepast kunnen worden in het cultureel economisch perspectief. De drie sferen zijn dan ingebed in een bepaalde cultuur of subcultuur. Aangezien ook een subcultuur een samenstel van waarden en normen, symbolen en denkpatronen, tradities en rituelen samen met anderen delen, zou men kunnen zeggen dat de verschillende subculturen of sferen verschillende waarden genereren. Welke waarden worden er nu gegenereerd in welke sfeer?
Allereerst de waarden die in de markt gepropageerd worden. De markt werkt objectiverend, met andere woorden er kan objectief een prijs worden gesteld voor een kunstwerk. De prijs is daarbij de gemeten waarde van het goed. Econoom William Grampp is van mening dat de prijs voor een kunstwerk ook daadwerkelijk de objectieve waarde is van dat kunstwerk. Als je de prijs van een kunstwerk wilt weten, moet je naar de esthetische waarde van een kunstwerk kijken. In de markt wordt de inhoudelijke of esthetische waarde door critici bepaald en wordt aan de hand van deze beoordeling een prijs vastgesteld.
In de derde sfeer wordt er meer gekeken naar de subjectieve waarde van een kunstwerk en er is vaak geen sprake van dat de prijs de objectieve waarde is van een kunstwerk.
Bij deze subjectieve waarden spelen nog andere factoren een rol. Bijvoorbeeld hoe de relatie is met diegene die het kunstwerk aanbiedt. Ook belangrijk is het wederzijds vertrouwen tussen beide partijen in deze sfeer. Het economisch denken houdt geen rekening met deze waarden, enkel en alleen als de markt vaalt.
In de derde sfeer is de intrinsieke motivatie van kunstenaars om kunst te maken van belang. Kunstenaars hebben een idealistisch doel om kunst te maken en deze idealistische motieven zijn niet aanwezig in de marktsfeer. Daar wordt vooral op een rationele manier gehandeld en gaat het er vooral om dat de markt efficiënt werkt.
Laten we nu wat verder ingaan op de waarden in de derde sfeer. Deze waarden kunnen zowel positief als negatief zijn. In deze sociale sfeer is de financiering alleen een instrument. Een negatief effect hiervan is dat de economie om de hoek komt kijken. Galeriehouders bijvoorbeeld proberen het economische te ontkennen door geen prijskaartjes bij de schilderijen en beeldhouwwerken te hangen. Op deze manier worden consumenten niet geconfronteerd met de waarden uit de economische sfeer.
Verder worden er in de derde sfeer geen contracten afgesloten. Dit duidt op een hoge mate van vertrouwen tussen de producent en de distributeur. Daarbij moet wel een kanttekening gemaakt worden dat de beide partijen wel uit zijn op eigen belang zoals in de economie. Dit vertrouwen ontstaat in de derde sfeer, maar het is wel van belang in de marktsfeer. Bij een markttransactie is het vertrouwen volledig overbodig als er sprake is van symmetrische informatie.
In de derde sfeer hebben kunstwerken een emotionele waarde. Dat betekent dat iedereen zijn eigen smaak heeft, waar economen geen rekening mee houden. Men kan zelf bepalen wat men koopt of consumeert, want in de derde sfeer is er sprake van een soevereine consument. Voor de kunstenaar krijgt het kunstwerk een emotionele waarde als andere mensen of consumenten het werk waarderen. Iedereen in de derde sfeer, zowel kunstenaar als consument, haalt positieve waarde uit een kunstwerk.
Laten we kijken welke waarden de overheid en de markt nu beiden genereren. Zowel de markt als ook de overheid werken objectiverend. Zoals al gezegd is wordt de prijs van een kunstwerk in de markt op een objectieve manier vastgesteld. Als de markt faalt is dit veelal een reden voor overheidssubsidie. De overheid gaat ook meer op een marktachtige manier te werk. Hoe meer bezoekers, hoe hoger de waarde van dat goed is voor de overheid. Verder geldt hoe meer kunst tot een collectief goed wordt beschouwd, hoe waardevoller deze uiting voor de overheid is en des te meer reden om dit goed te subsidiëren.
Dat de overheid objectiverend werkt kun je ook op een andere manier benaderen. In de sfeer van subsidies krijgt de kunstinstelling of de kunstenaar te maken met bureaucratie. Er wordt op een rationele manier naar de financiering van een kunstinstelling gekeken zoals in de economische sfeer.
De conclusie die uit het bovenstaande getrokken kan worden is allereerst dat in de economische sfeer de prijs de objectieve waarde is voor een kunstwerk. Deze stelling geldt voor de economische sfeer en laat subjectieve waarden dus buiten beschouwing. Deze subjectieve waarden worden wel gegenereerd in de derde sfeer, vandaar ook dat kunst veelal in de derde sfeer verhandeld wordt.
Daarnaast kan geconcludeerd worden dat een commerciële transactie de kwetsbare, niet te meten waarden devalueren. Dit komt mede doordat de subjectieve waarden minder belangrijk zijn bij een commerciële actie voor zowel de kunstenaar alsook voor de consument.
Een negatieve waarde in de derde sfeer is dat de financiering alleen gebruikt wordt als instrument en dat het economische eigenlijk ontkent wordt. Het positieve aan de derde sfeer dat de consument soeverein is. De consument kan zelf bepalen welk kunstproduct hij of zij consumeert, zij hebben dus een vrije keuze.
Gebruikte literatuur:
Klamer&Zuidhof, The role of the third sphere in the world of the arts
Klamer&Velthuis, Taal en cultuur
Throsby, The production and consumption of the arts: A view of cultural economics
Grampp, Art and economics reconciled